Lange bloei tot ver in de zomer.
Rosa rugosa — de bottelroos of strandroos — komt oorspronkelijk uit Oost-Azië, vooral kustgebieden van Japan, Korea en oostelijk Rusland. De plant is taai, zout-tolerant, en wordt in West-Europa gebruikt als duinverstevigende plant en in stadsparken als robuuste struik. Vroeger geïntroduceerd via Britse plant-jagers in de late 19e eeuw, vandaag in Nederland soms zelfs als invasief beschouwd in duinen — maar in Breda's parken een welkome zomerbloei.
Rose rugosa is bredabloeit's langste bloei: van eind mei tot ver in september (DOY 145–220+). Geen andere soort hier is zo lang in beweging. De struik geeft constant nieuwe bloemen — niet alle tegelijk in piek, maar gestaag. Daardoor is 'ie minder een 'event-soort' en meer een achtergrondbloei die het hele zomerseizoen doorgaat. In Wilhelminapark staan ze langs paden waar de geur op zonnige dagen sterk hangt.
Bloemen zijn enkel (5 bloemblaadjes), groot (7–8 cm), donkerroze tot magenta, soms wit. In het centrum zit een dichte krans gele meeldraden. De geur is sterke, klassieke roos — niet de zoete moderne hybriden, maar de wat ruige, kruidige originele. Bladeren zijn donkergroen, glanzend, gerimpeld (vandaar 'rugosa', Latijn voor 'gerimpeld'). De takken zijn dicht bezet met scherpe stekels — niet aan komen. In de nazomer vormen zich grote oranje-rode rozenbottels (haws), eetbaar en vitamine C-rijk.
Beste moment: half juni, eerste echte hete dag, als de bloemen hun maximum kleur en geur hebben. Foto's: enkele bloem in close-up met onscherpe achtergrond werkt beter dan groep — de struiken zien er chaotisch uit van veraf. In de nazomer/herfst zijn de bottels op zichzelf weer fotogeniek (oranje-rode bollen tegen donker blad).
Rosa rugosa werd voor het eerst beschreven door de Duitse botanist Carl Peter Thunberg, die in 1775 vanuit Japan naar Europa reisde met een grote collectie planten. De plant bereikte West-Europa pas serieus in de late 19e eeuw, toen Britse plant-jagers haar als duinverstevigende plant begonnen aan te bieden. Nederland importeerde de struik massaal in de jaren 1920 voor kustduin-projecten — vandaar dat je 'm vandaag overal langs de Hollandse kust ziet, soms zo dominant dat hij inheemse planten verdringt. In stadsparken zoals die van Breda is hij minder problematisch en vooral een betrouwbare langebloei voor de zomer.