Stephanandra incisa hoort bij de rozenfamilie (Rosaceae) en komt oorspronkelijk uit Oost-Azië — China, Japan, Korea en Taiwan. De geslachtsnaam komt uit het Grieks: stephanos (krans) en aner/andros (man), een verwijzing naar de kransvormige rangschikking van de meeldraden in de bloem. In moderne taxonomische literatuur wordt de soort steeds vaker als Neillia incisa beschreven; DNA-onderzoek heeft Stephanandra namelijk binnen het geslacht Neillia geplaatst. In Europese tuinen werd de plant vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw populair als sierheester, vooral als bodembedekker en in randbeplanting. In het Engels heet de soort lace shrub — een verwijzing naar het fijn ingesneden blad.
Stephanandra incisa bloeit in juni en soms door tot in juli, afhankelijk van het voorjaar. De piek ligt grofweg rond DOY 160–180, dus de tweede helft van juni. De bloei is bescheiden en kort: een week of twee waarin de struik bedekt is met kleine, romig-witte bloempjes in losse pluimen. Wie de bloei wil zien moet er bewust naar zoeken — dit is geen plant die je vanaf de overkant van het park opmerkt.
De bloemen zijn klein (4–5 mm), stervormig, met vijf witte tot crèmekleurige kroonblaadjes, gegroepeerd in losse eindstandige pluimen van enkele centimeters lang. Het blad is het echte herkenningspunt: diep ingesneden, gelobd en gezaagd, met een puntige top — vandaar de soortnaam incisa (ingesneden). De bladeren staan afwisselend, zijn helder groen in de zomer en verkleuren in de herfst naar oranje-rood. De struik wordt 1,5 tot 2,5 meter hoog en even breed, met dunne, sierlijk overhangende takken die roodbruin tot zigzaggend zijn. Geur is nauwelijks aanwezig. De groeivorm is breed uitwaaierend; oudere takken raken de grond en kunnen daar wortelen, waardoor de plant zich langzaam uitbreidt.
Voor de bloei is half juni het beste moment, bij voorkeur op een bewolkte dag — de witte bloempjes zijn klein en in fel zonlicht overbelicht je ze snel. Voor fotografie werkt zacht zijlicht het best, en kom dichtbij: macro of een telelens met korte minimum-focusafstand. De herfstkleuring eind oktober is fotogenieker dan de bloei zelf. De struik staat meestal op halfschaduwplekken in parken en plantsoenen, vaak als onderbeplanting onder grotere bomen.
Stephanandra incisa werd in 1843 wetenschappelijk beschreven door de Schotse botanicus Hugh Falconer, op basis van materiaal uit Japan. Het geslacht Stephanandra werd lange tijd als zelfstandig beschouwd, met vier soorten in Oost-Azië, maar moleculair onderzoek in de jaren 2010 toonde aan dat de groep ingebed ligt in Neillia. Sindsdien gebruikt veel literatuur de naam Neillia incisa, al houden tuincentra en tuinarchitecten vast aan de vertrouwde naam Stephanandra. In Noord-Amerika is de soort ontsnapt uit cultuur en in Virginia genaturaliseerd; ecologen verwachten dat hij zich verder zal verspreiden in de gematigde bossen daar.
Nog maar 1 waarneming van Stephanandra incisa dit jaar. Deel er één en de pagina komt tot leven.
Voeg je waarneming toe →