De Treurwilg die je in Nederlandse parken ziet hangen is bijna nooit de oorspronkelijke Salix babylonica, maar een hybride: Salix × sepulcralis, een kruising tussen de inheemse Schietwilg (Salix alba) en de Aziatische Treurwilg (Salix babylonica). De Hongaarse botanicus Lajos Simonkai beschreef de groep in 1890 aan de hand van bomen in Roemenië. De soortnaam sepulcralis verwijst naar 'graf' of 'begraafplaats' — de hangende takken werden vanaf de achttiende eeuw geassocieerd met rouw en doken op rond mausolea en kerkhoven in heel Europa. De bekendste cultivar is 'Chrysocoma', met goudgele jonge twijgen, en dat is verreweg de meest geplante treurwilg in West-Europa. Omdat S. babylonica zelf de Noord-Europese winters slecht verdraagt, dankt deze hybride zijn succes aan de winterharde alba-helft.
De Treurwilg bloeit vroeg, samen met het uitlopen van het blad: meestal eind maart tot in april, met een piek rond half april (DOY 95–115). De bloei valt daarmee net na die van de gewone wilgen en ruwweg gelijk met de magnolia's. Het is een korte show — een week of twee — en valt nauwelijks op vanaf afstand, want de katjes zijn klein, geelgroen en gaan op in het frisse jonge loof. Bij milde winters kan de eerste bloei al eind maart beginnen; in koude jaren schuift het door tot begin mei.
Geen boom is makkelijker te herkennen: lange, dunne, bijna verticaal hangende twijgen die soms tot op de grond reiken. Bij 'Chrysocoma' zijn die twijgen opvallend goudgeel, vooral in de winter zichtbaar tegen een grijze lucht. De bladeren zijn smal lancetvormig, 8–15 cm lang, lichtgroen aan de bovenzijde en zilverig-grijsgroen aan de onderkant — een erfenis van de Schietwilg. De bloemen zijn katjes: 2–5 cm lang, geelgroen, slank, en onopvallend tussen het blad. Volgroeide bomen worden 15–20 meter hoog en even breed, met een brede koepelvorm en een korte, dikke stam. Geur is vrijwel afwezig; het is een visuele boom, geen geurboom.
Treurwilgen staan in Breda vooral langs water — de Mark, de singels en de vijvers in het Valkenberg en het Wilhelminapark. Het beste moment voor een foto is half april tot begin mei, als het jonge blad lichtgroen oplicht en de gele twijgen nog zichtbaar zijn. Tegenlicht laat in de middag werkt het mooist: de hangende twijgen vangen het licht en de spiegeling in het water verdubbelt de boom. In de winter (december–februari) zijn de kale gele twijgen van 'Chrysocoma' op zichzelf al een aanrader — vooral op een grijze dag valt die kleur extra op.
De Treurwilg kwam in de zeventiende eeuw via de zijderoute naar Europa, oorspronkelijk uit China — Linnaeus noemde hem Salix babylonica omdat hij dacht dat het de boom was waaronder de ballingen uit Psalm 137 hun harpen ophingen ('aan Babylons stromen'). Dat klopt botanisch niet (in Babylon stond waarschijnlijk een populier), maar de naam bleef. De hybride met de inheemse Schietwilg ontstond vermoedelijk spontaan in Europese kwekerijen in de achttiende eeuw en bleek harder en groeikrachtiger dan beide ouders. Sinds de negentiende eeuw is het de standaardboom voor parkvijvers, kerkhoven en landgoederen in Noordwest-Europa.