De kaneelroos — Rosa cinnamomea, tegenwoordig vaker Rosa majalis genoemd — is een wilde roos uit de bossen en bosranden van Europa en Siberië. De soortnaam majalis verwijst naar mei, de maand waarin de plant doorgaans bloeit. De oude naam cinnamomea (kaneelkleurig) slaat op de roodbruine, glanzende twijgen die de struik in de winter herkenbaar maken. In Nederland is de soort zeldzaam in het wild, maar al eeuwen aanwezig in kloostertuinen en boerenerven — vermoedelijk meegekomen via de middeleeuwse gewoonte om rozen te kweken voor medicinaal gebruik. De struik blijft relatief compact, zo'n 1,5 tot 2 meter, en vormt door wortelopslag kleine groepjes.
De kaneelroos is een van de vroegst bloeiende wilde rozen in West-Europa. De bloei start meestal eind mei en loopt door tot half juni — globaal DOY 140 tot 165. De piek duurt kort, zo'n tien tot veertien dagen, waarna de bloemen snel uitvallen. In een koud voorjaar schuift de bloei een week op; in een warm voorjaar kan de struik al rond 20 mei in volle bloei staan. Na de bloei verschijnen de karakteristieke rode bottels, die in augustus en september rijpen.
De bloemen zijn enkel, vijfbladig en helder roze tot karmijnrood, met een diameter van 3 tot 5 cm — kleiner dan de meeste tuinrozen. In het hart staan opvallend gele meeldraden. Het blad is samengesteld uit vijf tot zeven ovale blaadjes, dofgroen en aan de onderkant licht behaard. De twijgen zijn roodbruin en glanzend, met rechte, dunne stekels die vooral bij de bladvoet in paren staan — een belangrijk verschil met de hondsroos, die krommere stekels heeft. De struik groeit rechtop en vormt door uitlopers losse groepjes. De geur is licht en zoet, niet zo intens als bij gekweekte rozen, maar duidelijk aanwezig op een warme middag.
Voor foto's werkt zacht ochtendlicht het best — de roze tinten worden in volle middagzon snel vlak. De bloei is kort, dus check de struik om de paar dagen vanaf eind mei. In Breda is de kaneelroos zeldzaam in openbaar groen; zoek in oudere parkdelen en op plekken met cultuurhistorische beplanting. Trek lange mouwen aan als je dicht bij de struik wilt: de stekels zijn dun maar talrijk. In het najaar zijn de bottels minstens zo fotogeniek als de bloemen zelf.
De kaneelroos werd door Linnaeus beschreven in 1753, onder beide namen — cinnamomea en majalis — wat tot eeuwen taxonomische verwarring leidde. Pas later werd majalis als geldige naam aangewezen. De soort heeft een lange medicinale geschiedenis: de bottels zijn rijk aan vitamine C en werden gebruikt tegen scheurbuik en verkoudheid, onder andere in de vorm van rozenbottelsiroop. In Scandinavië en Rusland was de struik tot ver in de twintigste eeuw een vaste leverancier van wintervitaminen. In Nederlandse kloostertuinen stond de kaneelroos vaak naast de apothekersroos (Rosa gallica) — twee werkpaarden van de middeleeuwse kruidengeneeskunde.
Nog maar 1 waarneming van Kaneelroos dit jaar. Deel er één en de pagina komt tot leven.
Voeg je waarneming toe →