Robinia pseudoacacia komt oorspronkelijk uit het oosten van Noord-Amerika — de Appalachen en het Ozark-plateau — en werd begin zeventiende eeuw naar Europa gebracht. De geslachtsnaam Robinia is een eerbetoon aan Jean Robin, hofbotanicus van Hendrik IV van Frankrijk, die de boom rond 1601 in Parijs plantte. Het toegevoegde 'pseudoacacia' betekent letterlijk valse acacia: de bladeren leken op die van echte acacia's uit de tropen, maar de boom hoort tot de vlinderbloemenfamilie. Linnaeus legde de soortnaam vast in zijn Species plantarum uit 1753, waarbij hij de aanduiding overnam van Tournefort en Catesby. In Nederland is de robinia inmiddels overal aanwezig — als laanboom, in parken, en als verwilderde opslag langs spoorbermen en industrieterreinen.
De robinia bloeit laat in het voorjaar, meestal vanaf eind mei tot halverwege juni (DOY 140–170). De piek duurt kort, vaak niet langer dan tien tot veertien dagen, afhankelijk van temperatuur en regen. Een warme week eind mei kan de bloei in een paar dagen losmaken; een koude noordenwind rekt het juist uit. Wie de zware, zoete geur wil ruiken, moet niet te lang wachten — na een flinke bui hangen de trossen bruin en uitgebloeid in de boom. Imkers houden deze periode scherp in de gaten, want robinia-honing (in Europa vaak 'acaciahoning' genoemd) komt uit deze korte bloei.
De bloemen hangen in afhangende, witte trossen van 10 tot 25 cm lang, opgebouwd uit klassieke vlinderbloempjes met een gele vlek op de vlag. De geur is intens en zoet, op afstand al merkbaar. Het blad is geveerd: zes tot twintig ovale deelblaadjes per bladsteel, frisgroen, die 's avonds licht naar elkaar toevouwen. De bast is grofgegroefd, grijsbruin, bij oudere bomen diep gekloofd in stevige ruggen. Op de jonge twijgen en aan de voet van de bladstelen zitten korte, scherpe doorns — een betrouwbaar herkenningspunt. De boom wordt 20 tot 25 meter hoog, vaak met een wat onregelmatige, open kroon en taai, hard hout dat nauwelijks rot.
De beste tijd voor een bezoek is de eerste week van juni, bij voorkeur vroeg in de ochtend wanneer de geur het sterkst is en bijen al actief zijn. Voor foto's werkt zacht tegenlicht goed: de witte trossen lichten dan op tegen het donkere, geveerde blad. Let op de doorns als je dichtbij komt — vooral bij jonge scheuten zijn ze pijnlijk scherp. De bloemen zijn eetbaar en worden traditioneel in beslag gefrituurd, maar bast, zaden en blad zijn giftig, dus pluk gericht en alleen de bloemtrossen.
Jean Robin kreeg de eerste zaden rond 1600 toegestuurd uit de Engelse kolonies in Noord-Amerika; zijn zoon Vespasien plantte een exemplaar in de Jardin des Plantes in Parijs dat er, zwaar gestut, nog altijd staat — het wordt beschouwd als een van de oudste bomen van de stad. In de achttiende en negentiende eeuw werd de robinia in Europa massaal aangeplant voor mijnstutten, wijngaardpalen en spoorbielzen, juist vanwege het rotvaste hout. De stikstofbindende wortels maakten de boom populair op arme zandgronden, maar dezelfde eigenschap maakt hem nu lastig: in natuurgebieden verrijkt hij de bodem en verdringt hij inheemse soorten. In delen van Midden-Europa staat Robinia pseudoacacia daarom op invasieve-soortenlijsten.
Nog maar 2 waarnemingen van Robinia dit jaar. Deel er één en de pagina komt tot leven.
Voeg je waarneming toe →