Petunia integrifolia komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika — Brazilië, Argentinië, Paraguay en Uruguay — waar de soort in open graslanden en langs wegranden groeit. De geslachtsnaam Petunia is afgeleid van het Tupi-Guarani woord 'petun', dat tabak betekent; de planten zijn dan ook directe familie van tabak en aardappel binnen de nachtschadefamilie (Solanaceae). In de negentiende eeuw bereikten de eerste wilde petunia's de Europese botanische tuinen, waar ze al snel werden gekruist met de witte Petunia axillaris. Uit die kruising kwam uiteindelijk de tuinpetunia voort die nu in vrijwel elke balkonbak in Breda staat. De wilde paarse variant zelf zie je hier zelden in de openbare ruimte, maar als botanische ouder is hij overal aanwezig.
Paarse petunia bloeit in West-Europa van eind mei tot in oktober, met een piek tussen half juni en eind augustus (ongeveer DOY 165–240). De plant blijft doorbloeien zolang het warm is en er regelmatig uitgebloeide bloemen worden weggehaald. Na een koude nacht onder de tien graden stopt de productie merkbaar. De eerste echte nachtvorst maakt definitief een eind aan het seizoen — meestal half oktober in Breda.
De bloem is een trechter van 3 tot 5 cm breed, helder violet tot magenta-paars, met een donkere keel die naar geel verkleurt richting het midden. Vijf vergroeide bloemblaadjes vormen samen één strakke kelk — geen gevulde rand, geen franje, anders dan veel gekweekte hybriden. De bladeren zijn ovaal, gaafrandig (vandaar 'integrifolia', heelbladig) en licht kleverig door klierharen. De hele plant geurt zwak kruidig als je een blad fijnwrijft. Groeivorm is liggend tot hangend, met stengels die 30 tot 60 cm lang worden en zich vertakken vanuit de basis.
Voor foto's is ochtendlicht het beste: de paarse kleur slaat in volle middagzon snel dicht en wordt dan blauwig op je sensor. Bewolkt weer geeft de meest verzadigde tint. De plant heeft volle zon nodig om door te bloeien, dus zoek balkons en plantenbakken op zuid- of westgevels — in Breda vind je ze veel in de Ginnekenstraat en rond het Van Coothplein. Na een regenbui hangen de bloemen door en duurt het een halve dag voor ze weer opveren.
De soort werd in 1793 voor het eerst wetenschappelijk beschreven door de Franse botanicus Jean-Baptiste Lamarck, aanvankelijk onder de naam Nicotiana integrifolia — hij plaatste hem dus nog bij de tabakken. Pas in 1803 kreeg het geslacht Petunia een eigen status. De doorbraak voor de siertuin kwam rond 1834, toen Schotse kwekers de paarse soort kruisten met de witte Petunia axillaris en zo Petunia × hybrida creëerden. Vrijwel elke moderne tuinpetunia — van de hangende Surfinia tot de compacte Million Bells-types — heeft Petunia integrifolia in zijn stamboom.
Nog maar 1 waarneming van Paarse petunia dit jaar. Deel er één en de pagina komt tot leven.
Voeg je waarneming toe →