Pentaglottis sempervirens — overblijvende ossentong — is een vaste plant uit de ruwbladigenfamilie (Boraginaceae) en de enige soort binnen het geslacht Pentaglottis. De geslachtsnaam komt uit het Grieks: penta (vijf) en glotta (tong), een verwijzing naar de vijf kleine schubben in de keel van de bloem. De soortnaam sempervirens betekent altijdgroen, want de wortelbladeren overwinteren. De plant is van oorsprong inheems in zuidwest-Europa — noordwest-Spanje, Portugal en delen van Frankrijk. Vanaf de zestiende eeuw raakte hij in Engelse en Noord-Europese tuinen verspreid, oorspronkelijk gekweekt om de wortels: die leveren een rode kleurstof, alkanna, die ook in verwante soorten voorkomt — vandaar de Engelse naam green alkanet. In Nederland is de soort verwilderd en groeit nu spontaan langs muurtjes, schaduwrijke tuinhoeken en bosranden, ook in Breda.
De overblijvende ossentong bloeit vanaf eind april tot ver in juni, met de piek tussen begin mei en begin juni (DOY 120–160). In zachte jaren verschijnen de eerste bloemen al half april, en op beschutte plekken — denk aan een zuidmuur of een windluwe stadshoek — bloeit hij soms door tot in juli. De bloei is gespreid: aan één plant zitten knoppen, open bloemen en al uitgebloeide kelken tegelijk. Daardoor lijkt de bloeiperiode lang, terwijl een individuele bloem maar een paar dagen meegaat.
De bloemen zijn klein maar fel: 8 tot 10 mm doorsnede, helder hemelsblauw met een wit oog in het hart, en vijf afgeronde lobben die plat openliggen. Ze zitten in losse, gekromde bloeiwijzen die zich tijdens het bloeien geleidelijk uitstrekken — typisch voor de ruwbladigenfamilie. De bladeren zijn opvallend: groot, lancetvormig, tot 30 cm lang, donkergroen en bedekt met stugge, prikkende haartjes die de hele plant ruw aanvoelen. De stengels zijn rechtopstaand, vertakken bovenin en bereiken 60 tot 100 cm. Een geur is er nauwelijks. De penwortel is dik en diepgaand, wat verklaart waarom de plant zich op één plek hardnekkig handhaaft. Verwarring met gewone smeerwortel ligt op afstand voor de hand, maar smeerwortel heeft hangende, buisvormige bloemen — overblijvende ossentong heeft platte, open sterren.
Voor foto's werkt zacht ochtendlicht het best: het blauw is verzadigd en het witte oog in de bloem licht subtiel op zonder te overstralen. In felle middagzon verbleekt de kleur snel op de sensor. Zoek de plant in halfschaduw langs muurtjes, hekken en oude tuinmuren — in Breda regelmatig te zien in de wat verwilderde randen van het Valkenberg en langs paden bij de Mark. Trek lange mouwen aan als je dichtbij wilt: de haren prikken en kunnen jeuk geven. Een macrolens of telezoom helpt, want de bloemen zijn klein.
De wortels van de overblijvende ossentong leveren een rode verfstof die eeuwenlang werd gebruikt om hout, leer en cosmetica te kleuren — de naam alkanet komt via het Spaanse alcaneta uiteindelijk uit het Arabische al-ḥinnā', dezelfde stam als henna. De soort werd in 1753 door Linnaeus beschreven als Anchusa sempervirens; de Britse botanicus Lewis David de Schweinitz' tijdgenoten plaatsten hem later in een eigen geslacht omdat de bloemstructuur — die vijf keelschubben — afwijkt van Anchusa. In Engelse cottagegardens geldt de plant als zegen én vloek: bijen zijn er dol op, maar de penwortel breekt makkelijk en uit elk achtergebleven stukje groeit een nieuwe plant.
Nog maar 1 waarneming van Overblijvende ossentong dit jaar. Deel er één en de pagina komt tot leven.
Voeg je waarneming toe →