De gewone margriet (Leucanthemum ircutianum) is een overblijvende kruidachtige plant uit de composietenfamilie (Asteraceae) en komt van nature voor in grote delen van Eurazië. De geslachtsnaam Leucanthemum is een samenstelling van de Griekse woorden leukos (wit) en anthemon (bloem) — letterlijk dus 'witte bloem'. De soort lijkt sterk op zijn bekendere familielid Leucanthemum vulgare; beide worden in het Engels oxeye daisy genoemd en zijn in het veld nauwelijks te onderscheiden zonder microscoop. In Nederland is de plant zo wijdverbreid dat hij voor veel mensen synoniem is met 'het bermgevoel' — de witte stippen die langs sloten en spoorbermen verschijnen zodra de zomer doorzet. In Breda vind je hem vooral in de extensief gemaaide bermen rond de stadsranden en in graslanden langs de Mark.
De gewone margriet bloeit in West-Europa van eind mei tot ver in augustus, met een duidelijke piek tussen half juni en half juli (ongeveer DOY 165–195). De eerste bloemen verschijnen meestal rond DOY 145, afhankelijk van het voorjaar — een warme april kan de bloei tot twee weken vervroegen. Na de piek blijft de plant nog wekenlang doorbloeien, vooral op plekken die niet of laat gemaaid worden. Wie geluk heeft ziet in milde jaren een tweede, kleinere bloeigolf in september. Voor Breda geldt: vanaf de eerste week van juni staan de bermen aan de stadsrand vol.
Het bloemhoofdje is klassiek: een gele schijf van buisbloemen omringd door een krans van zuiver witte lintbloemen, doorsnede 3–5 cm. Eén stengel draagt meestal één hoofdje, soms een paar. De stengel is rechtop, vaak licht vertakt, en wordt 30–80 cm hoog. De bladeren zijn donkergroen en lepelvormig onderaan, hogerop smaller en getand — niet diep ingesneden zoals bij sommige verwante soorten. De plant is geurloos tot licht kruidig wanneer je een blad fijnwrijft. Onderscheid van L. vulgare gebeurt op chromosoomaantal (ircutianum is tetraploïd, vulgare diploïd) en subtiele bladkenmerken; voor de wandelaar zijn ze praktisch identiek.
Margrieten fotograferen werkt het best in zacht ochtendlicht of tegen het einde van de middag — het felle wit blakert snel uit in volle zon rond het middaguur. Een bewolkte dag is eigenlijk ideaal: de gele schijf en de witte stralen krijgen dan allebei detail. Zoek extensief beheerde bermen op; gemeentebermen die maar één of twee keer per jaar gemaaid worden, leveren de dichtste velden op. Een lage hoek werkt beter dan van bovenaf: zo vang je honderden hoofdjes op één lijn. Let op insecten — zweefvliegen, kevers en wilde bijen gebruiken de schijf als landingsplatform en maken de foto's pas echt af.
Leucanthemum ircutianum werd in 1845 wetenschappelijk beschreven door de Franse botanicus Augustin-Pyramus de Candolle, die de soort onderscheidde van de eerder door Linnaeus benoemde L. vulgare (1753). De soortnaam ircutianum verwijst naar de rivier de Irkoet in Siberië, een zijrivier van de Angara, waar het typemateriaal werd verzameld — een herinnering aan de tijd dat Russische expedities massaal nieuw materiaal naar West-Europese herbaria stuurden. Lange tijd werd de plant in Nederlandse flora's simpelweg als L. vulgare bestempeld; pas in de tweede helft van de twintigste eeuw kreeg ircutianum erkenning als de in Noordwest-Europa veel algemenere van de twee. De margriet zelf heeft een veel oudere plek in de cultuur: in middeleeuwse kruidboeken werd ze aangeprezen tegen oogklachten, en het 'hij houdt van mij, hij houdt niet van mij'-spel met de witte lintbloemen gaat minstens terug tot de negentiende eeuw.
Nog maar 2 waarnemingen van Gewone margriet dit jaar. Deel er één en de pagina komt tot leven.
Voeg je waarneming toe →