De Zweedse cotoneaster (Cotoneaster × suecicus) is een gekweekte hybride binnen het geslacht Cotoneaster — de dwergmispels — dat zo'n negentig soorten telt en oorspronkelijk uit het Palaearctisch gebied komt. De diversiteit van het geslacht ligt voornamelijk in de bergen van zuidwest-China en de Himalaya, waar de meeste wilde soorten voorkomen. De geslachtsnaam komt van het Latijnse cotoneum (kwee) en aster (lijkend op): bladeren die aan die van de kweepeer doen denken. De hybride zelf is in Europese kwekerijen ontstaan uit kruisingen van Aziatische ouders en raakte vanaf de twintigste eeuw verspreid als sierheester. In Breda zie je hem vooral als bodembedekker in plantsoenen en op verkeerseilanden — onopvallend tot hij bloeit of bes draagt.
De Zweedse cotoneaster bloeit in West-Europa van eind mei tot in juni, met een piek rond de eerste twee weken van juni. De bloei is kort maar intens: gedurende ongeveer twee tot drie weken zit de hele struik vol kleine witte bloemen. Bijen en zweefvliegen zijn er massaal op af — een bloeiende cotoneaster gonst hoorbaar op een warme middag. Na de bloei volgt een lange tweede act: vanaf september kleuren de bessen helderrood en blijven ze tot diep in de winter zitten.
Het is een lage, breed uitgroeiende heester — meestal 30 tot 100 cm hoog, met takken die horizontaal of licht overhangend groeien. De bladeren zijn klein (2–3 cm), eivormig, glanzend donkergroen aan de bovenkant en lichter en iets behaard aan de onderkant. In milde winters blijft een deel van het blad zitten: half-wintergroen dus. De bloemen zijn klein (circa 1 cm), wit met vijf bloembladeren en duidelijk zichtbare meeldraden, en staan vaak met een paar bij elkaar. De bessen die volgen zijn rond, glanzend rood, ongeveer 6 mm groot. Verwarring met andere cotoneasters is makkelijk gemaakt — let op de combinatie van lage groei, kleine glanzende blaadjes en de horizontale takstructuur.
Voor de bloei is begin juni het moment, bij voorkeur op een zonnige ochtend wanneer de bijen nog rustig zijn. Voor foto's werkt zacht zijlicht het best: het glanzende blad reflecteert hard in volle middagzon. De struik is laag, dus knielen of door de knieën zakken levert betere composities op dan staand fotograferen. Wil je vooral de bessen zien, kom dan terug in oktober of november — de rode tegen het donkergroene blad is dan op zijn sterkst. Cotoneaster groeit op vrijwel elke standplaats in Breda, dus je vindt hem in parkranden, bij parkeerterreinen en als onderbeplanting in nieuwere woonwijken.
Cotoneaster werd populair in Europese tuinen vanaf de negentiende eeuw, toen plantenjagers als Ernest Wilson en Joseph Hooker zaden uit China en de Himalaya meebrachten. De Zweedse cotoneaster is een latere kweekvorm, geselecteerd om zijn dichte bodembedekkende groei en winterhardheid — eigenschappen die hem geliefd maakten bij landschapsarchitecten in de naoorlogse stedenbouw. Het geslacht is nauw verwant aan meidoorn (Crataegus), vuurdoorn (Pyracantha) en lijsterbes (Sorbus), wat te zien is aan de bloem- en vruchtvorm. In Nederland verwildert de soort plaatselijk: vogels eten de bessen en verspreiden het zaad naar bermen en duinen. Sommige cotoneasters staan inmiddels op de invasieve-soortenlijst in Engeland en België — een neveneffect van decennia tuinaanplant.
Nog maar 1 waarneming van Zweedse cotoneaster dit jaar. Deel er één en de pagina komt tot leven.
Voeg je waarneming toe →